NIPO 2001: aanschaf zelfzorggeneesmiddelen

Nederlanders kopen de zelfzorggeneesmiddelen het meest bij de drogisterij. Driekwart van alle aankopen vindt daar plaats. Daarnaast worden deze geneesmiddelen gekocht, zij in veel mindere mate, in apotheken en supermarkten met een geneesmiddelencounter.

Kenmerkend voor de verkoop van de zelfzorggeneesmiddelen is dat deze gebeurt onder verantwoordelijkheid en toezicht van een apotheker of drogist en vanachter de toonbank (“over the counter”) teneinde de individuele en volksgezondheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken.

Wetsvoorstel

Op 31 augustus 2000  heeft minister Borst in een brief aan de Tweede Kamer laten weten te willen voorstellen de zelfzorggeneesmiddelen vrij te geven voor verkoop in elke willekeurige winkel zonder dat daarbij sprake is van verplicht toezicht door drogist of apotheker.
Tijdens  een debat met de Vaste Kamercommissie voor VWS wezen de woordvoerders van de politieke partijen de minister erop dat zij dergelijke voorstellen alleen via de integrale herziening van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening kan indienen. Daarbij werden er door woordvoerders van diverse fracties ook inhoudelijk fundamentele bezwaren geopperd tegen de voorstellen van de minister. In de discussie maakten deze woordvoerders onder andere duidelijk dat de voorstellen van de minister onvoldoende rekening houden met het belang van een goede bescherming van de consument tegen de gezondheidsrisico’s in verband met het gebruik van zelfzorggeneesmiddelen.

In februari 2001 heeft de minister aan de Vaste Kamercommissie voor VWS medegedeeld voornemens te zijn het  verbod op zelfbediening voor zelfzorggeneesmiddelen in apotheken en drogisterijen op te heffen. Het idee hierachter is dat de consument op deze manier producten met elkaar kan vergelijken en zelf een afweging kan maken tot het al dan niet aanschaffen van een zelfzorgmiddel.

Om te bepalen of deze voorstellen of plannen van minister Borst beantwoorden aan de behoefte van de Nederlandse consument, heeft het NIPO in opdracht van Het CBD, de brancheorganisatie van de drogisterijen, een onderzoek uitgevoerd onder Nederlanders van 18 jaar en ouder.  Het CBD wil middels dit onderzoek inzicht krijgen in:

  • De informatiebehoefte bij initiële- en vervolgaankopen
  • De redenen voor (her)advisering
  • De behoefte aan deskundig personeel
  • De behoefte aan een toonbank bij de verkoop

In totaal hebben 1057 mensen aan het onderzoek meegewerkt via een database van NIPO bestaande uit meer dan 25.000 Nederlandse huishoudens. Het onderzoek heeft tussen 18 en 24 september 2001 gelopen.

Resultaten

Van de Nederlandse bevolking (van 18 jaar en ouder) koopt 84% wel eens niet-recept- oftewel zelfzorggeneesmiddelen. Bij gemiddeld driekwart van deze aankopen gaat het om vervolg- c.q. herhalingsaankopen. Zelfzorggeneesmiddelen worden gekocht bij apotheken, drogisterijen en drogisterij-afdelingen van supermarkten. Het betreft in totaal bijna 5800 verkooppunten. Van de Nederlandse bevolking acht 95% dit aantal verkooppunten voldoende.

Uit onderzoek naar de adviesbehoefte en de praktijk van het advies vragen tijdens de aankoop van zelfzorggeneesmiddelen, komt onder meer het volgende naar voren.

Persoonlijk advies

Van alle Nederlanders acht 86% het belangrijk of heel belangrijk (dit laatste geldt voor meer dan de helft van deze groep) dat men tijdens de aankoop de mogelijkheid heeft persoonlijk advies te vragen. Het meest genoemde motief is de wens om het best passende geneesmiddel te krijgen, maar ook geeft men aan goed algemeen advies te willen hebben. Slechts 10% vindt de mogelijkheid tot advisering onbelangrijk of heel onbelangrijk.
Onderzoek naar het werkelijke gedrag van de consument laat zien, dat gemiddeld ongeveer een kwart van de Nederlanders bij de aankoop van zelfzorggeneesmiddelen om advies vraagt; 19% heeft daadwerkelijk advies gevraagd tijdens de meest recente aankoop.
De behoefte aan advies bij vervolgaankopen van zelfzorggeneesmiddelen is (en dat is niet onlogisch) kleiner dan bij de eerste aankoop. Desondanks blijkt 48% van de bevolking binnen een jaar na de laatste aankoop behoefte te hebben aan hernieuwd advies bij vervolgaankopen. Ongeveer 27% wil al eerder (een half jaar na de laatste aankoop) hernieuwd advies.

Adviesbron

Verder is onderzocht aan welke adviesbron(nen) men de voorkeur geeft. Gaat het om de eerste aankoop, dan beschouwt 45% van de Nederlanders die ervaring hebben met de aankoop van zelfzorggeneesmiddelen het deskundig personeel in apotheek of drogisterij als de meest gewenste bron van advies, 31% geeft de voorkeur aan de huisarts of specialist. Maar ook bij vervolgaankopen blijkt het personeel in apotheek of drogisterij als adviesbron bovenaan te staan (36%), gevolgd door huisarts en specialist (20%) en informatie op de verpakking (eveneens 20%).
Al met al moet men concluderen dat een overgrote meerderheid (76% bij de eerste aankoop), c.q. ruime meerderheid (56% bij de vervolgaankoop) de voorkeur geeft aan persoonlijke advisering door een deskundige.

Aanwezigheid deskundig personeel

NIPO heeft verder onderzocht in hoeverre de Nederlanders, gezien hun adviesbehoefte, de aanwezigheid van deskundig personeel in winkels, waar zelfzorggeneesmiddelen worden verkocht, noodzakelijk achten. Gemiddeld vinden acht op de tien Nederlanders (82%) dit inderdaad een eis. Vrouwen stellen deze eis vaker dan mannen. Het belangrijkste motief is dat men zich aldus beter beschermd voelt tegen gezondheidsrisico’s. Van de Nederlanders vindt 11% de aanwezigheid van deskundig personeel niet strikt noodzakelijk.

Daarnaast is in het onderzoek de vraag meegenomen hoe gedacht wordt over het verkopen van zelfzorggeneesmiddelen via een toonbank of balie, dan wel via de schappen (zelfbediening). Volgens ruim driekwart van de Nederlanders (77%) dient de verkoop van achter een toonbank plaats te vinden. Van deze groep voert 29% als reden aan dat aldus de verkoop nog onder enig toezicht staat, en een even groot percentage acht dit gewenst om te voorkomen dat kinderen met een risicovol geneesmiddel in aanraking komen. Van de Nederlanders heeft 14% een voorkeur voor schapverkoop.

Combineert men de uitkomsten inzake de (al dan niet noodzakelijk geachte) aanwezigheid van deskundig personeel in de winkel met die inzake toonbankverkoop versus schapverkoop, dan blijkt 76% van de Nederlanders het noodzakelijk te vinden dat er én deskundig personeel aanwezig is én dat de verkoop plaatsvindt via een toonbank. Van de Nederlandse bevolking wil 11% wél dat er deskundig personeel aanwezig is, maar prefereert schapverkoop. 4% prefereert toonbankverkoop, maar heeft geen behoefte aan speciaal opgeleid personeel, terwijl 5% kiest voor de combinatie van schapverkoop en de aanwezigheid van ‘gewoon’ (niet speciaal opgeleid) personeel.

Wilt  u de volledige onderzoeksrapportages ontvangen, kunt u deze opvragen via het contactformulier.